Het oudste deel van de Lutherse kerk is de voormalige kapel van het nonnenklooster, gewijd aan St. Ursula. Het is in 1412 gesticht door Abraham Dole, een rijke Utrechtse burger.
Onder de Abraham Dolesteeg liep er een onderaards gangetje onder de steeg door. De trappen hiervan zijn teruggevonden. Het is de enige onderaardse gang in Utrecht waarvan het bestaan is aangetoond. Net als de kapel van het voormalige Agnietenklooster, waarin nu het Centraal Museum is gevestigd, was de kapel een zogenoemde dubbelkapel, met een tussenverdieping die driekwart van het schip besloeg, waar de nonnen ongezien de mis konden bijwonen. Bij de hervorming in 1580 nam de overheid ook het Abraham Doleklooster in beslag. De kapel werd daarna als snijzaal, vergaderruimte, schermschool en voor catechisatie gebruikt. De Lutherse gemeente mocht de Lutherse gemeente de kapel in 1743 kopen. Om de kapel te kunnen uitbreiden werden twee huizen aan de Hamburgerstraat gesloopt en werd de ruimte bij de kerk getrokken. De kroonlijst van de gevel in Lodewijk XIV-stijl doet sterk denken aan die van Amsterdamse grachtenhuizen uit die tijd.